Header image

Willem de Zwijgerlaan 71-73

Willem de Zwijgerlaan 71-73
1056 JG Amsterdam

Lrk nr: 229276131

Telefoon: 020-6890365

(30 plaatsen voor kinderen van 4 tot 8 jaar)

 

Inspectierapport 2017

Inhoudsopgave
Het onderzoek
Observaties en bevindingen
Pedagogisch klimaat
Personeel en groepen
Veiligheid en gezondheid
Accommodatie en inrichting
Ouderrecht
Inspectie-items
Gegevens voorziening
Gegevens toezicht

BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 2/17
Het onderzoek
Onderzoeksopzet Op 29 juni 2017 is op grond van artikel 1.62, tweede lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen een onaangekondigd jaarlijks onderzoek uitgevoerd.
Naar aanleiding van het voor dit kindercentrum opgestelde risicoprofiel is een volledig onderzoek op alle domeinen uitgevoerd.
De toezichthouder heeft de vennoot in de gelegenheid gesteld om na het inspectiebezoek nog documenten aan te leveren. Deze documenten heeft de toezichthouder ontvangen op 16 en 17 juli 2017 en meegenomen bij de beoordeling van de betreffende kwaliteitseisen.
Beschouwing Organisatie De houder, BSO de Bengel is een VOF met twee vennoten. De VOF exploiteert twee buitenschoolseopvanglocaties in Amsterdam-West. Een van de vennoten is gekwalificeerd om te kunnen werken als beroepskracht en is ook vijf dagen per week als zodanig werkzaam. Hij is eveneens verantwoordelijk voor de aansturing van de assistent-leidinggevende en de beroepskrachten. De organisatie heeft geen vertrouwenspersoon of klachtencoördinator aangesteld. De vader van de vennoot is gepensioneerd en ondersteunt de BSO op vrijwillige basis, onder andere bij het ophalen van de kinderen uit school en het bereiden van warme maaltijden. In eerste instantie is er geen vrijwilligersovereenkomst aanwezig, maar de vennoot heeft binnen de onderzoekstermijn alsnog een overeenkomst overgelegd. Hierin zijn de verantwoordelijkheden van de vrijwilliger opgenomen.
Locatie De locatie aan de Willem de Zwijgerlaan biedt ruimte aan twee groepen waarin kinderen in de leeftijd van vier tot en met zeven jaar oud worden opgevangen. Er zijn drie vaste beroepskrachten werkzaam, waarvan er één is aangesteld als assistent-leidinggevende. Dagelijks hebben zij dertig minuten tot één uur de tijd om de dag voor te bereiden, de locatie schoon te maken en de administratie bij te werken. Er is ook één stagiair werkzaam bij de BSO.
In het voorgaande jaarlijks onderzoek d.d. 1 maart 2016 zijn meerdere overtredingen geconstateerd, onder andere met betrekking tot de opvang in basisgroepen, de afwijking van de vereiste beroepskracht-kind-ratio en het kennis kunnen nemen van het beleid omtrent veiligheid en gezondheid. Ook in het inspectieonderzoek op 16 maart 2015 is eveneens een overtreding geconstateerd, namelijk dat destijds onvoldoende is aangetoond of er wordt voldaan aan de vereiste beroepskracht-kind-ratio.
Tijdens het huidige jaarlijks onderzoek d.d. 29 juni 2017 zijn wederom meerdere overtredingen geconstateerd. Het pedagogisch beleidsplan voldoet niet aan de voorwaarden, het eigen pedagogisch beleidsplan wordt onvoldoende uitgevoerd, de vrijwilliger heeft geen geldige VOG, de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid voldoet niet aan de voorwaarden, er worden onvoldoende maatregelen genomen met betrekking tot de voedselveiligheid, de inrichting van de buitenspeelruimte is niet passend, en ouders worden onvoldoende geïnformeerd over het te voeren beleid en over het laatste inspectierapport.
Advies aan college van B&W De toezichthouder adviseert om vanwege de geconstateerde overtredingen handhavend op te treden conform het handhavingsbeleid van de gemeente.
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 3/17
Observaties en bevindingen
Pedagogisch klimaat
Pedagogisch beleidsplan Er is een algemeen pedagogisch beleidsplan voor de gehele organisatie, BSO de Bengel. Dit beleidsplan geldt voor beide vestigingen van de organisatie.
Visie In het pedagogisch beleidsplan is over de ontwikkeling van een kind onder andere beschreven dat kinderen de drang hebben zich te ontwikkelen en dat op zijn/haar manier doen, op basis van aanleg en temperament. Over de visie op de opvoeding van kinderen is beschreven dat een kind hulp nodig heeft van volwassenen in de ontwikkeling. Beroepskrachten hebben een begeleidende en ondersteunde rol, waarbij een individueel kind wordt gewaardeerd en wordt geborgen. Een plaats in de kinderopvang biedt volgens BSO de Bengel meer omgang met kinderen, een kindvriendelijke omgeving, meer mogelijkheden voor wat betreft spel (materiaal) en de groepsleiding die naast ouders betrokken wordt bij de opvoeding van het kind. Ook wordt genoemd dat een sfeer van veiligheid en vertrouwen nodig is.
Het is aan te bevelen dat de kenmerkende visie van het kindercentrum in meer concrete en duidelijke termen wordt opgenomen in het beleidsplan.
Pedagogische basisdoelen Over de wijze waarop de emotionele veiligheid van het kind wordt gewaarborgd is beschreven dat er vaste beroepskrachten in de groepen werken, dat de inrichting zoveel mogelijk op een thuissituatie lijkt (met zithoeken en afzonderlijke ruimten voor activiteiten) en dat er wordt gewerkt met vaste groepen (die door de organisatie ‘stamgroepen’ worden genoemd, hoewel de wettelijke term basisgroep is). De indeling in vaste groepen zorgt ervoor dat kinderen in een groep met zoveel mogelijk dezelfde gezichten zitten en zich daardoor sneller op hun gemak voelen.
In het pedagogisch beleidsplan is beschreven dat kinderen de gelegenheid moeten krijgen tot het ontwikkelen van persoonlijke competenties. Er wordt genoemd dat onderzoeken en spel hierbij belangrijke middelen zijn, en dat exploratie en spel worden bevorderd door de inrichting van de ruimtes en het aanbod van materialen en activiteiten. Dagelijks worden in iedere groep minimaal drie activiteiten aangeboden waarbij kinderen zoveel mogelijk vrijheid hebben om zelf te beslissen waar zij die dag aan willen deelnemen. De activiteiten bestaan minimaal uit een sportactiviteit, een knutselactiviteit en een spelactiviteit.
In BSO de Bengel worden sociale competenties ontwikkeld doordat kinderen interactie met leeftijdsgenoten hebben, deel zijn van een groep en deelnemen aan groepsgebeurtenissen. Dit wordt gestimuleerd door groepsgesprekken te organiseren waarin alle kinderen de gelegenheid krijgen iets bij te dragen.
De overdracht van normen en waarden wordt bevorderd door met themamaanden te werken waarbij verschillende activiteiten en gespreksmomenten worden aangeboden, bijvoorbeeld rondom feestdagen uit verschillende culturen. Ook geven beroepskrachten het goede voorbeeld en wordt door hen besproken waarom bepaalde afspraken en regels gelden.
Overige kwaliteitseisen In het pedagogisch beleidsplan is beschreven dat er twee groepen zijn, één van twintig kinderen met kinderen van vier tot en met zes jaar en één met tien kinderen van zes tot en met zeven jaar. In het vastgestelde beleidsplan (dat op de website is geplaatst) is nog beschreven dat de groepen op rustige dagen worden samengevoegd. De vennoot heeft per e-mail verklaard voornemens te zijn het pedagogisch beleidsplan te wijzigen, zodat hierin opgenomen zal zijn dat de twee groepen op maandag, woensdag en vrijdag worden samengevoegd. De oudercommissie dient hier nog advies over uit te brengen. In de praktijk is de laatstgenoemde werkwijze in gebruik, zo blijkt tijdens het huidige inspectieonderzoek.
In het beleid is beschreven dat kinderen de basisgroep verlaten voor activiteiten in de buurt, uitstapjes op vakantiedagen en door te sporten bij een samenwerkende sportschool. Het komt niet voor dat er activiteiten worden georganiseerd in groepen groter dan dertig kinderen.
Verder is beschreven dat de beroepskrachten worden ondersteund door stagiairs. Er is echter niet beschreven dat de beroepskrachten ook worden ondersteund door een assistent-leidinggevende, de vennoot en een vrijwilliger. Dit is wel van belang, zeker aangezien de vrijwilliger onder andere ook verantwoordelijk is voor het ophalen van de kinderen uit school en soms activiteiten met de kinderen begeleidt.
Over ondersteuning indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is beschreven dat op maandag tot en met donderdag iemand van het management beschikbaar is als achterwacht. Op vrijdagmiddag is dit een buurvrouw die om de hoek woont. Ook dit komt niet overeen met de praktijk: in de praktijk is de vader van de vennoot (de vrijwilliger) achterwacht. In het beleidsplan is in het geheel niet beschreven hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet in afwijking van de
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 4/17
beroepskracht-kind-ratio.
Wel is het beleid omtrent wennen en de afname van extra dagdelen (alleen in de eigen groep) beschreven.
Samenvattend Het pedagogisch beleidsplan bevat niet in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen en hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Pedagogische praktijk Het pedagogisch handelen van de beroepskrachten is beoordeeld op basis van observaties tijdens het ophalen van de kinderen uit school, het vrij spelen en het eten. Uit deze observaties is gebleken dat voldoende uitvoering wordt gegeven aan de pedagogische basisdoelen, te weten het waarborgen van de emotionele veiligheid, de mogelijkheid tot het ontwikkelen van persoonlijke en sociale competenties en de overdracht van waarden en normen. Hieronder worden enkele voorbeelden beschreven. Uit het inspectieonderzoek blijkt echter dat er onvoldoende wordt gehandeld conform de uitgangspunten in het pedagogisch beleidsplan.
Emotionele veiligheid Tijdens het inspectiebezoek is duidelijk dat er sprake is van een vertrouwde relatie tussen de kinderen en beroepskrachten. Er zijn drie vaste beroepskrachten werkzaam waarvan er dagelijks één of meer aanwezig zijn. Zij kennen de kinderen goed en zijn op de hoogte van persoonlijke bijzonderheden van de kinderen. Dit wordt vooral duidelijk bij het ophalen van de kinderen uit school. Ieder kind wordt begroet door middel van het schudden van de hand van het kind en wordt persoonlijk begroet. Door een leerkracht van de basisschool wordt een huilend kind overgedragen aan de beroepskracht, met de mededeling dat het kind moe is. De beroepskracht geeft het kind een knuffel en ze zegt: ‘Ach je bent moe hè?’ Tijdens de looproute naar de BSO worden er gesprekken met de kinderen gevoerd over hoe het met hun gaat.
Overdracht van normen en waarden Het is duidelijk dat er regels gelden en dat de kinderen hiervan op de hoogte zijn. Als de kinderen als groep van de basisschool naar de BSO lopen, gaan zij uit zichzelf hand in hand lopen. Bij binnenkomst in de BSO gaan zij direct hun handen wassen. De beroepskrachten geven zelf meestal het goede voorbeeld en spreken de kinderen aan op de juiste omgangsvormen. Tijdens het eten moeten de kinderen bijvoorbeeld op elkaar wachten tot zij beginnen met eten. Eén kind komt later binnen bij de BSO en krijgt dan nog wat fruit om te eten. Eerst zit de beroepskracht bij het kind aan tafel en praat zij met het kind. De beroepskracht is op dit moment echter ook druk bezig met het invullen van de presentielijst en loopt meerdere malen weg van tafel. Omdat alle andere kinderen al buiten spelen blijft het kind daarom alleen achter aan tafel. Zij eet haar fruit ook niet op en vraagt al snel of zij mag opstaan om buiten te spelen. Op dit moment geven de beroepskrachten in mindere mate het goede voorbeeld wat betreft juiste omgangsvormen.
Persoonlijke competenties Op sommige momenten is er ruimte voor zelfsturing: de kinderen hoeven niet herinnerd te worden aan de regels en hangen zelfstandig de jassen op, wassen de handen en gaan aan tafel zitten. Na het eten van fruit wordt er buiten gespeeld. Dit geldt voor de gehele groep waardoor er in mindere mate kan worden aangesloten bij de interesses en behoeftes van de kinderen. Enkele kinderen vragen aan de beroepskracht of zij binnen ergens mee mogen spelen, de beroepskracht zegt echter dat alle kinderen buiten moeten spelen. Tijdens het buiten spelen hebben de kinderen wel zichtbaar plezier en de beroepskrachten spelen met enthousiasme met hen mee.
Uitvoering pedagogisch beleidsplan Hoewel er in de praktijk voldoende uitvoering wordt gegeven aan de pedagogische basisdoelen, gebeurt dit niet op de wijze waarop dit volgens het pedagogisch beleidsplan dient te gebeuren. Er worden tijdens het inspectiebezoek geen activiteiten georganiseerd: er wordt alleen buiten gespeeld (zonder specifiek georganiseerd doel). Bovendien is in het pedagogisch beleidsplan beschreven dat kinderen vrijheid hebben om zelf te beslissen waaraan zij die dag willen deelnemen, maar zoals hierboven reeds is beschreven, is dit tijdens het inspectieonderzoek niet het geval. De werkwijze waarbij de sociale competenties worden ontwikkeld doordat er groepsgesprekken worden georganiseerd, wordt eveneens niet uitgevoerd tijdens het inspectieonderzoek. Er wordt tijdens het eten aan tafel wel door de kinderen met elkaar gepraat, maar dit gebeurt niet op initiatief van de beroepskrachten. Bovendien zit één kind, zoals hierboven beschreven, tijdens het eetmoment alleen aan tafel en
Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen. (art 1.50 lid 2 sub f Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 5 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 7 lid 1 sub d Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet in afwijking van de beroepskracht-kindratio. (art 1.50 lid 2 sub f Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 5 lid 4 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 7 lid 1 sub g Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 5/17
wordt er weinig met het kind gepraat. De beroepskracht vraagt af en toe wel of het kind bepaald fruit lust, maar er is geen sprake van groepsgesprekken. Hoewel uit notulen van het werkoverleg blijkt dat het pedagogisch beleidsplan wordt besproken met de beroepskrachten, leidt dit er in de praktijk onvoldoende toe dat het pedagogisch beleidsplan wordt uitgevoerd.
Samenvattend De werkwijze met betrekking tot de pedagogische basisdoelen zoals die beschreven staat in het pedagogisch beleidsplan komt niet overeen met de werkwijze in de praktijk. De houder draagt daarom onvoldoende zorg voor de uitvoering van het pedagogisch beleidsplan. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Gebruikte bronnen: – Pedagogisch beleidsplan, op 21 juli 2017 gedownload via www.naschoolseopvangamsterdam.nl – Observaties tijdens het inspectieonderzoek – Notulen werkoverleg 9 maart, 16 mei en 13 juli 2017, ontvangen op 16 juli 2017 – Gesprek met de beroepskrachten – Inspectieonderzoek
De houder draagt zorg voor uitvoering van het pedagogisch beleidsplan. (art 1.49 lid 1 art 1.50 lid 1 lid 2 sub f Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 5 lid 3 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 6/17
Personeel en groepen
Verklaring omtrent het gedrag Sinds het laatste jaarlijks inspectieonderzoek op 1 maart 2016 zijn er geen nieuwe beroepskrachten in dienst getreden. Op basis van een steekproef onder de vaste beroepskrachten is tijdens het huidige inspectieonderzoek beoordeeld dat zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven na 1 maart 2013. De verklaring omtrent het gedrag van de stagiair die wordt ingezet is niet ouder dan twee jaar. De verklaring omtrent het gedrag van de vrijwilliger is echter wel ouder dan twee jaar; dit is een overtreding van de kwaliteitseis. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Passende beroepskwalificatie Sinds het laatste jaarlijks inspectieonderzoek op 1 maart 2016 zijn er geen nieuwe beroepskrachten in dienst getreden. In dat inspectieonderzoek is op basis van een steekproef beoordeeld dat de vaste beroepskrachten beschikken over een passende beroepskwalificatie.
Opvang in groepen De buitenschoolse opvang heeft twee basisgroepen: één groep met maximaal twintig kinderen van vier tot en met zes jaar en één groep met maximaal tien kinderen van zes tot en met acht jaar.
De kinderen zijn geplaatst in één basisgroep en worden hier dagelijks ook in opgevangen. In de praktijk wordt er gezamenlijk met de kinderen in één basisgroep gegeten (het fruit na binnenkomst na school en de warme maaltijd of cracker halverwege de middag). Het komt niet voor dat een kind in een andere groep wordt opgevangen. Op de presentielijsten die worden gehanteerd, is per kind duidelijk aangegeven in welke groep het geplaatst is en in welke groep het opgevangen is.
Op maandag, woensdag en vrijdag worden de twee basisgroepen structureel samengevoegd tot één groep.
In het pedagogisch beleidsplan is beschreven dat kinderen bij de afname van extra dagdelen alleen in de eigen groep worden opgevangen.
Beroepskracht-kind-ratio Op de dag van het inspectiebezoek worden er in beide basisgroepen voldoende beroepskrachten ingezet voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen.
Op basis van een steekproef uit de presentielijsten van 1 tot en met 28 juni 2017 en de bijbehorende werkroosters van het personeel constateert de toezichthouder dat ook in deze periode voldoende beroepskrachten zijn ingezet voor het aantal opgevangen kinderen.
Op schooldagen werken de beroepskrachten van 14.00 tot 18.30 uur, van 14.30 tot 19.00 uur of van 11.45 tot 19.00 uur. De beroepskrachten houden gedurende schooldagen geen pauze. Aangezien de beroepskrachten verklaren dat de meeste kinderen tussen 18.00 en 18.30 uur worden opgehaald, wordt er met deze werktijden op schooldagen redelijkerwijs voldaan aan de eisen rondom de afwijking van de vereiste beroepskracht-kindratio.
De BSO is op schoolvrije dagen van 8.30 tot 19.00 uur geopend. De beroepskrachten werken op schoolvrije dagen als er twee beroepskrachten worden ingezet van 8.30 tot 17.00 uur of van 9.30 tot 19.00 uur. Indien er drie beroepskrachten worden ingezet werken zij van 8.30 tot 16.30 uur, van 9.30 tot 18.00 uur en van 11.00 tot 19.00 uur. Zij pauzeren niet. Als de beroepskrachten met deze werktijden niet pauzeren wordt overigens mogelijk niet voldaan aan andere wet- en regelgeving. In de onderzochte periode (1 tot en met 28 juni 2017) is geen schoolvrije dag voorgekomen. Daarom is niet beoordeeld of er wordt voldaan aan de eisen omtrent de afwijking van de vereiste beroepskracht-kind-ratio op schoolvrije dagen.
Voor momenten dat een beroepskracht alleen in het kindercentrum aanwezig is, is een achterwachtregeling. De beroepskrachten zijn hiervan op de hoogte. Uit verklaringen van de beroepskrachten blijkt dat op schoolvrije dagen de vrijwilliger wordt ingezet, zodat er geen beroepskracht alleen in het kindercentrum aanwezig is in afwijking van de vereiste beroepskracht-kind-ratio.
Gebruik van de voorgeschreven voertaal Gedurende de hele opvang wordt door alle beroepskrachten Nederlands gesproken.
Gebruikte bronnen:
De verklaring omtrent het gedrag van een stagiaire, uitzendkracht of vrijwilliger werkzaam bij de onderneming is niet ouder dan twee jaar. (art 1.50 lid 3 lid 4 lid 8 lid 9 art 1.57 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 7/17
- Gesprekken met de beroepskrachten – Presentielijsten periode 1 tot en met 28 juni 2017, ingezien tijdens het inspectiebezoek – Roosters periode 1 tot en met 28 juni 2017, ontvangen op 16 juli 2017 – Verklaringen omtrent het gedrag, deels reeds in het bezit van de GGD, deels ontvangen op 16 en 17 juli 2017 – Rapport jaarlijks inspectieonderzoek d.d. 1 maart 2016 – Inspectieonderzoek – Observaties tijdens het inspectiebezoek – Gesprek met de vrijwilliger tijdens het inspectiebezoek
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 8/17
Veiligheid en gezondheid
Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid Er is een risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid uitgevoerd, de datum waarop is echter onbekend aangezien er geen datum genoteerd is op de documenten. Er is gebruikgemaakt van de zogenaamde ‘bolletjeslijsten’, deze methode voor het uitvoeren van risico-inventarisaties wordt niet geactualiseerd en is enigszins verouderd. Hieraan dient aandacht te worden besteed.
De aangeleverde risico-inventarisatie veiligheid is onvolledig: belangrijke veiligheidsrisico’s zijn uitgesloten, terwijl die er in de praktijk wel degelijk zijn. Veiligheidsrisico’s omtrent het gebruik van de trap naar het souterrain zijn onvoldoende geïnventariseerd: er is aangegeven dat de ‘trap/kelder’ een klein risico vormen, zonder dat specifiek is aangeduid welke risico’s er precies bestaan omtrent deze trap. Er zijn geen risico’s omtrent het gebruik van messen geïnventariseerd, terwijl er in de keuken scherpe messen gebruikt worden door de vrijwilliger. Van andere ongevallen of scenario’s is ingeschat dat het risico klein is, terwijl de risico’s in de praktijk groot zijn. Terwijl er in de buitenspeelruimte losse en scheve tegels liggen, zijn de risico’s omtrent struikelen in de buitenspeelruimte ingeschat als kleine risico’s. De risico’s omtrent verschillende kapotte materialen of materialen die niet geschikt zijn voor kinderen om mee te spelen in de buitenspeelruimte worden bovendien in het geheel niet erkend.
Ook de risico-inventarisatie gezondheid is onvolledig: de risico’s omtrent (het uitblijven van) medisch handelen zijn niet geïnventariseerd. In de risico-inventarisatie wordt op dit punt verwezen naar het protocol ‘ziekte bij kinderen op de BSO’. Het schriftelijke beleid dient echter te worden opgesteld op basis van inzicht in de risico’s die zich in een kindercentrum kunnen voordoen. Hiermee wordt namelijk gezorgd dat er maatregelen worden getroffen die de risico’s voldoende beperken.
Er wordt periodiek een werkoverleg georganiseerd. Uit notulen blijkt dat tijdens het werkoverleg protocollen en de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid zijn besproken.
De kennis over en de uitvoering van het veiligheids- en gezondheidsbeleid is beoordeeld aan de hand van enkele speerpunten. Op het gebied van veiligheid is aandacht besteed aan het ophalen van de kinderen uit school, op het gebied van gezondheid is aandacht besteed aan de voedselveiligheid, handhygiëne en het binnenmilieu.
Veiligheid Er worden momenteel kinderen van negen verschillende basisscholen opgehaald. De beroepskrachten worden hierbij ondersteund door een vrijwilliger en de beroepskrachten van de andere vestiging BSO de Bengel. Volgens de website van de houder zijn er bovendien nog vier andere scholen waar ook kinderen van opgehaald kunnen worden. Van vijf scholen worden kinderen lopend opgehaald, van vier scholen worden kinderen met de auto opgehaald. In het ‘protocol vervoer’ zijn afspraken met betrekking tot het ophalen van de kinderen vastgelegd. Er is een ophaallijst, waarop per school is genoteerd welke kinderen daar opgehaald worden. Deze lijst wordt om 14.00 uur bijgewerkt, zodat ook de afmeldingen hierop verwerkt zijn. Tijdens het inspectiebezoek is geobserveerd tijdens het ophalen uit de scholen Meidoorn en Sint Janschool. De kinderen van deze scholen worden lopend opgehaald door een beroepskracht en de stagiair. Op de schoolpleinen gelden vaste ophaalplekken en tijdens het lopen gelden er regels voor de kinderen. Zo lopen zij in een rij tweeaan-twee, met de beroepskracht vooraan en de stagiair achteraan. De kinderen zijn duidelijk op de hoogte van de regels. De beroepskracht vertelt verder dat kinderen niet bij een ander mogen spelen zonder toestemming van ouders. Ook dit is opgenomen in het ‘protocol vervoer’.
Gezondheid Er worden voldoende maatregelen genomen omtrent de handhygiëne. De handen worden gewassen op de aangewezen momenten. De kinderen wassen bijvoorbeeld de handen voor het eten en de beroepskrachten doen dit voor het bereiden van voedsel (zowel bij de bereiding van de warme maaltijd als het snijden van fruit). Er is handzeep en er zijn papieren handdoeken. De afspraken omtrent handhygiëne zijn vastgelegd in een document, genaamd ‘handhygiëne’.
Tegen extra betaling wordt er voor de kinderen een warme maaltijd bereid. De maaltijden worden gekookt in de keuken in de BSO en worden bereid door de vrijwilliger (vader van de vennoot). Er worden tijdens het inspectiebezoek onvoldoende maatregelen genomen om de voedselveiligheid te waarborgen. Er is ten tijde van het bezoek ook geen schriftelijk beleid omtrent de voedselveiligheid vastgesteld, hoewel de vrijwilliger wel aangeeft goed op de hoogte te zijn van maatregelen ten behoeve van de voedselveiligheid vanwege zijn ervaring (als kok en eigenaar van een restaurant). Tijdens het inspectiebezoek wordt door de vrijwilliger een maaltijd bereid. Hiervoor worden eerder op de dag boodschappen gedaan. Er wordt op geen enkel punt in het bereidingsproces gecontroleerd of de producten de juiste temperatuur hebben: niet bij de inkoop en het bewaren van producten, niet bij het bereiden van de maaltijd en ook niet bij het serveren. Hiermee is de voedselveiligheid en gezondheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd. Er wordt om 14.00 uur rauwe kip gesneden, de vrijwilliger neemt tijdens het snijden van de kip meerdere malen zijn telefoon op met het mes nog in de hand. De rauwe kip wordt gekruid en afgedekt bewaard in de koelkast. De koelkast is ingesteld op 4 graden Celsius, verklaart de vrijwilliger. Er wordt echter niet middels een thermometer gecontroleerd of de koelkast ook deze temperatuur heeft. Later in de middag (om 16.00 uur) wordt de kip gebakken. Ook hierbij wordt niet gecontroleerd of het bereidde product de juiste kerntemperatuur heeft bereikt.
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 9/17
De vrijwilliger vertelt dat het ook voorkomt dat de gehele maaltijd om 14.00 à 14.30 uur wordt bereid, wordt afgekoeld op het aanrecht en vervolgens wordt bewaard in de koelkast. Daarna wordt deze weer verhit en geserveerd. Met de vrijwilliger en vennoot is besproken dat er gehandeld dient te worden conform de hygiënecode voor kleine instellingen. De vennoot heeft vervolgens wel de hygiënecode overgelegd en telefonisch verklaard volgens de hygiënecode te zullen werken. Omdat dit tijdens het inspectiebezoek niet het geval is, wordt geconstateerd dat er onvoldoende maatregelen worden genomen in verband met de gezondheidsrisico’s met betrekking tot de voedselveiligheid, en daarmee de overdracht van ziektekiemen.
In het ventilatieprotocol zijn afspraken met betrekking tot het binnenmilieu vastgelegd. De beroepskrachten zijn hier tijdens het inspectiebezoek niet geheel van op de hoogte. Zij vertellen bijvoorbeeld dat er mechanische ventilatie is in alle groepsruimtes, maar weten niet waar dit systeem zich bevindt en hoe zij dit kunnen bedienen. Hierdoor kunnen zij dus ook niet handelen volgens het beleidsstuk. In de praktijk zijn er aan de straatkant ventilatieroosters boven de ramen en deuren. Er zijn echter geen maatregelen in het beleid opgenomen met betrekking tot het onderhoud van het ventilatiesysteem en de ventilatieroosters.
Samenvattend – In de risico-inventarisatie veiligheid worden niet alle veiligheidsrisico’s die in de praktijk wel voorkomen beschreven, en enkele risico’s worden onderschat; – In de risico-inventarisatie gezondheid worden niet alle gezondheidsrisico’s die in de praktijk wel voorkomen beschreven; – Het plan van aanpak gezondheid is niet volledig. Er ontbreken maatregelen met betrekking tot de gezondheidsrisico’s omtrent de overdracht van ziektekiemen en de voedselveiligheid; – Er wordt niet volgens het plan van aanpak gezondheid gehandeld. De houder draagt er onvoldoende zorg voor dat het beleid omtrent de ventilatie wordt uitgevoerd. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode door deze te bespreken in het periodieke werkoverleg. De beroepskrachten zijn op de hoogte van enkele signalen van kindermishandeling, onder andere met betrekking tot veranderend gedrag van kinderen, wat een kind vertelt en hoe de omgang met ouders is. Ook kunnen zij benoemen wat de eerste stappen van het stappenplan uit de meldcode zijn.
Gebruikte bronnen: – Inspectieonderzoek – Risico-inventarisatie veiligheid, ontvangen op 16 juli 2017 – Protocol vervoer, op 24 juli 2017 gedownload via www.naschoolseopvangamsterdam.nl – Notulen werkoverleg 9 maart, 16 mei en 13 juli 2017, ontvangen op 16 juli 2017 – Gesprek met de beroepskrachten en vrijwilliger – Telefoongesprek met de vennoot, d.d. 30 juni 2017 – Observaties tijdens het inspectiebezoek – Hygiënecode voor kleine instellingen, modelversie van de Brancheorganisatie kinderopvang, versie januari 2012 – Ventilatieprotocol (zonder datum of versienummer), ontvangen op 16 juli 2017 – Protocol ziekte bij kinderen op de BSO (zonder datum of versienummer), ontvangen op 28 juli 2017 – Document handhygiëne (zonder datum of versienummer), ontvangen op 16 juli 2017
De houder beschrijft de veiligheidsrisico’s op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. (art 1.49 lid 1 art 1.50 lid 1 lid 2 sub a art 1.51 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 1 sub a lid 2 sub a Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 2 lid 1 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) De houder beschrijft de gezondheidsrisico’s op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen. (art 1.49 lid 1 art 1.50 lid 1 lid 2 sub a art 1.51 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 1 sub a lid 2 sub a Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 2 lid 2 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.) In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de gezondheidsrisico’s, alsmede de samenhang tussen de gezondheidsrisico’s en de maatregelen. (art 1.49 lid 1 art 1.50 lid 1 lid 2 sub a art 1.51 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 1 sub b Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 10/17
Accommodatie en inrichting
Binnenspeelruimte De oppervlakte van de binnenspeelruimte is beoordeeld op basis van de plattegrond behorend bij de omgevingsvergunning d.d. 19 oktober 2011. Er wordt gebruikgemaakt van verschillende ruimtes op de begane grond, en een speelruimte in het souterrain. Op de begane grond, links naast de entree, is er een lange ruimte die van de straatkant naar de tuinkant van het pand loopt. Deze ruimte heeft een oppervlakte van 45,7 m². Tussen deze ruimtes is een halletje, die volgens de plattegrond ook is aangemerkt als verblijfsruimte. Het halletje heeft een oppervlakte van 8,4 m². Rechts naast de entree is aan de straatkant nog een groepsruimte, met een oppervlakte van 16,9 m². Aan de tuinkant is er nog een groepsruimte met een oppervlakte van 18,4 m². In het souterrain is nog een groepsruimte, die is ingericht als knutselruimte. De ruimte heeft een oppervlakte van 24,5 m². Hiermee is er in totaal 113,9 m² oppervlakte beschikbaar, wat voldoende is voor het aantal kinderen dat maximaal wordt opgevangen (dertig).
De binnenspeelruimtes zijn ingericht met grote tafels om aan te eten, een leeshoek met boeken, een televisie en een bank, een grote kast met knutselmateriaal en spelletjes. Ook zijn er bakken met los speelmateriaal, zoals dieren, Kapla, duplo en een treinbaan. Er is ook verkleedkleding en een grote kast met knuffels erin. Er staat een poppenhuis maar die is niet ingericht en leeg. Er staat een poppenwagen, waar ontblote poppen in liggen. Voornamelijk deze elementen maken een onverzorgde indruk en verdienen aandacht.
Buitenspeelruimte De BSO heeft een eigen buitenspeelruimte aan de achterzijde van het pand. De oppervlakte van de buitenruimte is in dit onderzoek niet beoordeeld aangezien er geen plattegrond beschikbaar is en tijdens het inspectieonderzoek geen metingen zijn verricht. In een eerstvolgend jaarlijks inspectieonderzoek zal deze kwaliteitseis alsnog worden beoordeeld.
De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk en vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang. Deze is echter niet passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. De buitenruimte is vrijwel geheel betegeld, op één gedeelte zijn dit rubberen tegels. De beroepskrachten vertellen dat hier voorheen een speeltoestel stond, maar dat het is weggehaald. De rubberen tegels zijn ingezakt en liggen voor een deel scheef, wat veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. Achterin de buitenruimte staat een schuur en links van de schuur is een overdekt deel, waar een lege zandbak staat. De zandbak is leeg gehaald omdat er veel kattenontlasting in zat. In de lege zandbak staat een plastic kas, die daar volgens de beroepskrachten enkele weken geleden is neergezet omdat deze wegens harde wind wegwaaide. Verder is de buitenruimte alleen ingericht met stoelen waar de verf van afgebladderd is, een loungebank met twee à drie zitplaatsen, een tafeltje met een paar plantenbakken erop en een picknicktafel met een rotte houten plank. Er is buitenspeelmateriaal, maar er is weinig keuze. Er zijn een paar ballen, één fiets, een skateboard en twee stepjes. De buitenruimte wordt ook gebruikt voor de opslag van afval, gereedschap en klusmateriaal: er staat een huishoudtrap, planken, kapotte plantenbakken, een fietspomp, een verontreinigde dweil en bijbehorende emmer en een afwasmachine. Er is onvoldoende speelmateriaal voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen en de inrichting van de buitenruimte is onverzorgd en niet uitnodigend. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Gebruikte bronnen: – Plattegrond, behorend bij omgevingsvergunning d.d. 19 oktober 2011 – Inspectieonderzoek – Gesprek met de beroepskrachten
De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. (art 1.50 lid 1 lid 2 sub g sub h Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 6 lid 1 lid 2 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 10 lid 2 Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 11/17
Ouderrecht
Informatie De houder informeert de ouders door middel van de website www.naschoolseopvangamsterdam.nl en nieuwsbrieven. Er zijn echter geen nieuwsbrieven overgelegd, en de laatste nieuwsbrief op de website dateert van november 2013. De informatie aan ouders is onvolledig. Ouders worden bijvoorbeeld niet geïnformeerd over het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie en het beleid omtrent veiligheid en gezondheid (er is alleen informatie over veiligheid bij vervoer opgenomen, niet over de overige belangrijke onderwerpen). De houder heeft op de website een link geplaatst naar de inspectierapporten uit 2014, maar niet naar het meest recente inspectierapport (het rapport van een nader onderzoek op 8 mei 2017).
Ouders worden op passende wijze geïnformeerd over de klachtenregeling en de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen. Informatie hierover is namelijk geplaatst op de website. Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan:
Oudercommissie De houder heeft een oudercommissie ingesteld, waarin vier leden zitting hebben. Er is een reglement voor de oudercommissie vastgesteld door de houder. Het reglement voldoet aan de kwaliteitseisen.
Klachten en geschillen per 1 januari 2016 De houder heeft een klachtenregeling vastgesteld. Deze regeling is te vinden op de website en voldoet aan de gestelde eisen.
De houder is aangesloten bij de Geschillencommissie kinderopvang en peuterspeelzalen.
Gebruikte bronnen: – Reglement oudercommissie, ontvangen op 16 juli 2017 – Overzicht leden van de oudercommissie, ontvangen op 16 juli 2017 – Klachtenregeling, gedownload van www.naschoolseopvangamsterdam.nl op 24 juli 2017 – Website www.naschoolseopvangamsterdam.nl, geraadpleegd op 24 juli 2017 – Nieuwsbrief november 2013, gedownload op 24 juli 2017 via www.naschoolseopvangamsterdam.nl – Inspectieonderzoek
De houder informeert ouders en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid. (art 1.54 lid 1 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.) De houder informeert ouders en personeel over het inspectierapport door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen. Indien geen website aanwezig is legt de houder een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. (art 1.54 lid 2 lid 3 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.)
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 12/17
Inspectie-items Pedagogisch klimaat

Personeel en groepen

Pedagogisch beleidsplan
Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van de werkwijze, de maximale omvang en de leeftijdsopbouw van de basisgroep. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van de (spel)activiteiten die kinderen buiten de basisgroepen kunnen verrichten. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving hoe beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door andere volwassenen. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving hoe ondersteuning is vormgegeven indien slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet in afwijking van de beroepskracht-kindratio. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen. Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik maken van kinderopvang gedurende extra dagdelen.
Pedagogische praktijk
De houder draagt zorg voor uitvoering van het pedagogisch beleidsplan. De houder draagt zorg voor het waarborgen van emotionele veiligheid. De houder draagt er zorg voor dat de kinderen de mogelijkheid krijgen om tot ontwikkeling van persoonlijke competentie te komen. De houder draagt er zorg voor dat de kinderen de mogelijkheid krijgen om tot ontwikkeling van sociale competentie te komen. De houder draagt zorg voor de overdracht van normen en waarden.
Verklaring omtrent het gedrag
De houder en personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het kindercentrum exploiteert zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven na 1 maart 2013. De verklaring omtrent het gedrag van een stagiaire, uitzendkracht of vrijwilliger werkzaam bij de onderneming is niet ouder dan twee jaar.
Passende beroepskwalificatie
Alle beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao kinderopvang.
Opvang in groepen
De opvang vindt plaats in basisgroepen. A. De basisgroep bestaat uit maximaal twintig kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. Of B. De basisgroep bestaat uit maximaal dertig kinderen in de leeftijd van 8 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt.
Beroepskracht-kind-ratio
A. De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste: – 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 4 jaar. – 1 beroepskracht per 10 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar. Bij kinderen van verschillende leeftijden in één groep wordt het minimale aantal beroepskrachten berekend met de rekentool op www.rijksoverheid.nl. OF BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 13/17

Veiligheid en gezondheid

Accommodatie en inrichting

Ouderrecht

OF B. De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk gelijktijdig aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste: – 2 beroepskrachten en een extra volwassene per 30 aanwezige kinderen in de leeftijd vanaf 8 jaar. De houder heeft geregeld dat een andere volwassene telefonisch bereikbaar is en binnen 15 minuten aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit, indien conform de beroepskracht-kindratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is. Bij buitenschoolse opvang gedurende schooldagen, kunnen ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten ingezet worden dan volgens de beroepskracht-kind-ratio vereist is. Indien als gevolg van het afwijken van de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, is er ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.
Gebruik van de voorgeschreven voertaal
A. De voorgeschreven voertaal wordt gebruikt. Of B. Er wordt mede een andere taal als voertaal gebezigd, omdat de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door de houder vastgestelde gedragscode.
Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid
De houder stelt jaarlijks een risico-inventarisatie veiligheid op voor alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, waaronder de buitenspeelruimte. De houder beschrijft de veiligheidsrisico’s op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de veiligheidsrisico’s, alsmede de samenhang tussen de veiligheidsrisico’s en de maatregelen. De houder zorgt ervoor dat personen werkzaam bij het kindercentrum kennis kunnen nemen van de vastgestelde risico-inventarisatie veiligheid. De houder stelt jaarlijks een risico-inventarisatie gezondheid op. De houder beschrijft de gezondheidsrisico’s op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen. In het plan van aanpak geeft de houder aan welke maatregelen op welk moment zijn respectievelijk worden genomen in verband met de gezondheidsrisico’s, alsmede de samenhang tussen de gezondheidsrisico’s en de maatregelen. De houder zorgt ervoor dat personen werkzaam bij het kindercentrum kennis kunnen nemen van de vastgestelde risico-inventarisatie gezondheid.
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
Binnenspeelruimte
Per aanwezig kind in het kindercentrum is ten minste 3,5 m² passend ingerichte binnenspeelruimte beschikbaar. De binnenruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.
Buitenspeelruimte
De buitenspeelruimte is voor kinderen toegankelijk. De buitenspeelruimte is vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang. De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.
Informatie
De houder informeert ouders en een ieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid. De houder informeert ouders en personeel over het inspectierapport door het zo spoedig mogelijk na ontvangst op de eigen website te plaatsen. Indien geen website aanwezig is legt de houder een afschrift van het inspectierapport op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. De houder brengt de klachtenregeling, alsmede wijzigingen daarvan, op passende wijze onder de aandacht van de ouders. De houder brengt de mogelijkheid om geschillen aan de geschillencommissie voor te leggen op passende wijze
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 14/17

onder de aandacht van de ouders.
Oudercommissie
De houder heeft voor de oudercommissie, tenzij er op grond van artikel 1.58, tweede lid geen oudercommissie is ingesteld, zes maanden na registratie een reglement oudercommissie vastgesteld. Het reglement omvat regels omtrent de wijze van kiezen, de zittingsduur en het aantal leden. Het reglement omvat geen regels omtrent werkwijze van de oudercommissie. De houder wijzigt het reglement na instemming van de oudercommissie. De houder stelt binnen zes maanden na registratie een oudercommissie in. OF De verplichting tot het instellen van een oudercommissie geldt niet omdat het een kindercentrum betreft waar maximaal 50 kinderen worden opgevangen. De houder heeft zich aantoonbaar voldoende ingespannen om een oudercommissie in te stellen en biedt ouders de gelegenheid deel te nemen aan een oudercommissie. De houder en personen werkzaam bij het kindercentrum zijn geen lid. De leden worden gekozen uit en door de ouders. De houder stelt de oudercommissie in de gelegenheid haar eigen werkwijze te bepalen.
Klachten en geschillen per 1 januari 2016
De houder treft een regeling voor de afhandeling van klachten over: – een gedraging van de houder of een bij de houder werkzame persoon jegens een ouder of kind; – de overeenkomst tussen de houder en de ouder. De regeling is schriftelijk vastgelegd, voorziet er in dat de ouder de klacht schriftelijk bij de houder indient en dat de houder: – de klacht zorgvuldig onderzoekt; – de ouder zoveel mogelijk op de hoogte houdt van de voortgang van de behandeling; – de klacht, rekening houdende met de aard ervan, zo spoedig mogelijk wordt afgehandeld; – de klacht, uiterlijk zes weken na indiening bij de houder, wordt afgehandeld; – de ouder een schriftelijk en met redenen omkleed oordeel op de klacht verstrekt; – in het oordeel een concrete termijn stelt waarbinnen eventuele maatregelen zullen zijn gerealiseerd. De houder van een kindercentrum is aangesloten bij een door de minister van Veiligheid en Justitie erkende geschillencommissie voor het behandelen van: a) geschillen tussen houder en ouder over: – een gedraging van de houder of een bij de houder werkzame persoon jegens ouder of kind; – de overeenkomst tussen de houder en de ouder; b) geschillen tussen houder en oudercommissie over de toepassing en uitvoering van het wettelijk adviesrecht.
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 15/17
Gegevens voorziening
Opvanggegevens Naam voorziening : BSO de Bengel KvK-vestigingsnummer : 000006156797 Website : Aantal kindplaatsen : 30 Gesubsidieerde voorschoolse educatie : Nee
Gegevens houder Naam houder : BSO de Bengel Adres houder : Willem de Zwijgerlaan 71 73 Postcde en plaats : 1056 JG  Amsterdam KvK-nummer : 32125827 Website : www.bso-debengel.nl
Gegevens toezicht
Gegevens toezichthouder (GGD) Naam GGD : GGD Amsterdam  Inspectie kinderopvang Postadres : Postbus 2200 Postcode en plaats : 1000 CE  AMSTERDAM Telefoonnummer : 020 555 55 75 Onderzoek uitgevoerd door : Mw. E. van den Heuvel, MSc
Gegevens opdrachtgever (gemeente) Naam : Gemeente Amsterdam Postadres : Amstel 1 Postcode en plaats : 1011 PN  AMSTERDAM
Planning Datum inspectiebezoek : 29-06-2017 Opstellen concept inspectierapport : 04-08-2017 Zienswijze houder : 07-09-2017 Vaststellen inspectierapport : 07-09-2017 Verzenden inspectierapport naar houder en oudercommissie : 07-09-2017 Verzenden inspectierapport naar gemeente : 07-09-2017 Openbaar maken inspectierapport :
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 16/17
Bijlage: Zienswijze houder kindercentrum De houder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen.
BSO de Bengel – Jaarlijks onderzoek 29-06-2017 17/17