Header image

Pedagogisch beleid

Pedagogisch beleidsplan

Voorwoord

Het pedagogisch beleidsplan geeft inzicht in de uit­gangspun­ten met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van kinderen en de functie die BSO De Bengel daarin heeft. Het geeft inzicht in:

  1. Doelstelling en functie van de buitenschoolse opvang
  2. Ontwikkeling van kinderen
  3. Opvoeding
  4. Samenwerking met ouders
  5. Groepsopvang en Wenbeleid


1. Doelstelling en functie van de buitenschoolse opvang

1.1. Doelstelling

De algemene doelstelling van BSO De Bengel staat als volgt omschreven: het aan­bieden van een opvangmogelijkheid voor kinderen van 4 t/m 13 jaar aan bedrijven, instellingen en particulieren in de daartoe geschikte ruimten (in groepsverband). Opvang is mogelijk gedurende een gedeelte van een etmaal, waarbij aan de toegelaten kinderen algehele ontplooiingskansen worden geboden, onder leiding van de door De Bengel aange­stel­de/geselecteerde personen.

Daarnaast wil De Bengel “verantwoorde buitenschoolse opvang” bieden, zoals dit in de Wet Kinderopvang geformuleerd is: “Verantwoorde kinderopvang is kinderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige omgeving”. Voor de pedagogische onderbouwing van het begrip “verantwoorde kinderopvang” in de Wet Kinderopvang is gekozen voor de vier opvoedingsdoelen van professor J.M.A. Riksen-Walraven (zie 3.3 Opvoedingsdoelen van de kinderopvang).

1.2. Functie van buitenschoolse opvang

Buitenschoolse opvang heeft een tweeledige functie:

  1. de oudergerichte functie; ouders in de gelegenheid stellen activiteiten binnen en buitenshuis te verrichten, die moeilijk te combi­neren zijn met de zorg voor jonge kinderen (werk, studie etc.). Daar­naast zijn er ouders, die vanuit medische en/of sociale gronden aangewezen zijn op kinderopvang. De kinderopvang biedt ouders de gele­genheid om met elkaar en met de groeps­leiding in contact te komen, zodat ervaringen met dagelijkse opvoedingsvragen kunnen worden uitgewis­seld. Dit proberen wij te bereiken middels een altijd bereikbaar management en de tien minuten gesprekken die jaarlijks worden gehouden.
  2. de kindgerichte functie; het bieden van onderdak, verzorging, begeleiding en opvoe­ding aan kinderen zijn de 4 kerntaken van de kinderopvang. De kerntaak onderdak valt onder het algemeen beleid. De taken verzorging, begeleiding en opvoeding maken onderdeel uit van het pedagogisch beleid. Deze taken zijn in opvoe­dingssituaties zo zeer met elkaar verbonden dat ze als één kerntaak worden opgevat, namelijk opvoeding.

In het pedagogisch beleidsplan wordt vooral ingegaan op de kindgerichte functie.

Terug naar boven


2. Ontwikkeling van kinderen

2.1. Visie op ontwikkeling

Elk kind heeft de drang in zich om zich te ontwikkelen en doet dat op zijn/haar manier op basis van aanleg en tempera­ment. De ervaringen die een kind opdoet, bepalen voor een groot deel wie het wordt en hoe het zal functione­ren. Een kind ontwikkelt zich in een voortdurende wisselwerking tussen eigen aanleg en opgedane erva­ringen. Enerzijds treedt het kind zelf de wereld actief tegemoet door spontane acti­vi­teiten en door dingen te doen die hem interesseren; ander­zijds wordt de ontwikkeling beïnvloed door de socia­le con­text waarbinnen de opvoeding plaats­vindt. Juist door het deel­nemen aan verschil­lende socia­le omge­vin­gen, doet een kind veel ervaring op. Kin­deren vormen zich door wissel­werking met an­dere kinderen, ouders, andere volwasse­nen en de wereld om zich heen.

2.2. De ontwikkeling van kinderen

Bij de ontwikkeling van kinderen worden drie ont­wikkelingsgebieden onderscheiden, te weten: lichamelijke, verstandelij­ke en sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij de lichamelijke ontwikkeling gaat het om het leren bewegen (zowel de fijne als de grove bewegin­gen) en de beheersing van de spieren. Taal, zintuiglijke ontwikkeling en omgaan met problemen (crea­tiviteit) staan centraal bij de verstandelijke ont­wikkeling. “Een kind wordt mens tussen de mensen”. Dit proces wordt de sociale ontwikkeling genoemd: in toenemende mate gaat een kind zelfstandig deelnemen aan de omgeving. De emotionele ontwikkeling is moei­lijk los te denken van de sociale ont­wikkeling. Immers in het contact met anderen ontwikke­len emo­ties (gevoelens) zich. In werkelijkheid is er van scheiding tussen 3 bovengenoemde gebieden geen spra­ke; de onderdelen zijn niet los van elkaar te zien.

2.3. Kenmerken van de ontwikkeling van kinderen bij verschillende leeftijden

  • Leeftijd:  4 t/m 7

Lichamelijk; snelle motorische ontwikkeling. Kinderen hebben moeite om de eigen groei bij te benen. Ze proberen vaak dingen die nog te moeilijk zijn. Het gaat nu meer om het bewegen met een doel, in plaats van bewegen om het bewegen. De fijne motoriek ontwikkelt zich vanuit de polsen en niet meer vanuit de schou­ders en ellebogen.

Verstandelijk; veel vaardigheden, die kinderen opdoen op school worden elders nogmaals geoefend. Kinderen in deze leeftijd nemen de spraak van anderen over. Ze ge­bruiken de taal nu ook om zichzelf ermee uit te drukken: schuttingtaal, schelden. Fantasie en werke­lijkheid worden in het begin nog door elkaar ge­haald. Kinderen kunnen meer denken in oorzaak en gevolg. In zintuiglijk opzicht kunnen de kinderen gediffe­rentieerder waarnemen: details en overzicht.

Sociaal-emotioneel; het samenspelen met andere kinderen neemt een be­langrijke plaats in. De invloed van buiten het gezin wordt groter. De relaties tussen kinderen onderling worden belangrijker. Een kind in deze leeftijdsfase is in staat constructiever in een groep te spelen; kan zich verplaatsen in andermans gevoe­lens, verge­lijkt regels en houdt zich aan de spelregels.

  • Leeftijd: 8  t/m 13 jaar

Lichamelijk; de meeste basisvaardigheden hebben de kinderen nu onder de knie. De bewegingen worden door grotere kinderen primair gebruikt om er iets mee te doen, bv. sporten. De fijnere motoriek specialiseert zich; schrijven van let­ters en cijfers op een lijntje is nog een behoorlijke “prie­gel” klus.

Verstandelijk; het denken is concreet gericht: de werkelijkheid wordt in toenemende mate belangrijker voor kinderen. Met behulp van concrete dingen ontwikkelen zij het zelfstandig denken en logisch redeneren.

 

Sociaal-emotioneel; de leeftijdsgroep wordt richtinggevend voor de normen. Er zijn regelmatig conflicten met de normen van andere volwassenen. Aan de ene kant worden de kinde­ren steeds zelfstandiger, aan de andere kant kunnen ze nog niet buiten de volwassene: ze hebben behoefte aan een steuntje in de rug op hun ontdek­kingsreis naar zelfstandigheid.

2.4. Rol van de buitenschoolse opvang op de ontwikkeling

BSO De Bengel ziet het als haar taak om een situatie te creëren, waarin het kind zich optimaal kan ont­wikkelen. Daarbij wordt aandacht besteed aan de verschillende ontwik­kelingsgebieden. De ruimte en het spelmateriaal, dat wordt aangeboden, past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind. Verder wordt de zelfstandigheid van het kind gestimuleerd, waarbij wordt uitgegaan van de moge­lijk­heden van het betreffende kind. Kinderen worden daarin door de leiding begeleid. Dit geven wij vorm middels een kinderraad met wisselende samenstelling. Het doel van de kinderraad is het betrekken van kinderen bij de keuze voor spelmateriaal en activiteiten. Naast een aantal aangeboden activiteiten door de groepsleiding kunnen kinderen zelf dus ook activiteiten organiseren waarin zij zelf de vrijheid hebben de haalbaarheid te toetsen.

Terug naar boven


3. Opvoeding

3.1. Visie op opvoeding

Zoals eerder gezegd (2.1. visie op ontwikkeling) treedt een kind de wereld zelf actief tegemoet. Vanaf het allereerste begin geeft een kind mede vorm aan zijn eigen opvoedingsom­geving. Hij heeft daarbij hulp van volwassenen nodig tijdens zijn “ontwikkelingsreis”, met andere woorden hulp van opvoeders. Volwassenen kunnen niet zonder meer hun kennis, vaardighe­den, gewoonten en inzichten overhevelen naar kinderen, maar opvoeden is een wisselwerking, waarin kind en opvoeders samen vorm geven en beiden een aandeel hebben. De rol van de groepsleiding is hierin met name bege­leidend en ondersteunend in een sfeer waarin elk individueel kind zich gewaardeerd en geborgen weet. De wisselwerking tussen kind en opvoe­ders wordt ook beïnvloed door de cultuur en de sa­menleving. Hier­door wordt bepaald welke taal, welke regels, welke normen en waarden en welke begrippen door de opvoe­ding worden overgedragen op het kind.

3.2. Opvoeding in de buitenschoolse opvang

De ouders zijn de eerst verantwoordelijken in de opvoeding van een kind. Een kind dat de opvang be­zoekt, maakt deel uit van meerdere opvoedingssitua­ties, te weten het gezin, de school en de buitenschoolse op­vang.

De taak die de BSO t.a.v. opvoeding heeft, is aanvullend op de opvoedingssi­tuatie thuis. De kinderopvang heeft wel een eigen verant­woordelijkheid voor een stukje opvoeding van het kind binnen de groepsopvang. De ouder(s) blijft­/blijven echter verant­woordelijk voor de totale opvoeding. Wat de kinderopvang biedt, is een ander­soortige ervaring dan de thuissituatie: er zijn veelal meer kinderen, een kind­vrien­delijke omgeving, meer moge­lijkheden voor wat betreft spel (materiaal) en de groepsleiding, die naast de ouders betrok­ken wordt bij de opvoeding van het kind. Er dient dan ook een goede afstemming tussen verschil­lende opvoedingssitua­ties plaats te vinden, zowel in het belang van het kind als in het belang van de betrok­ken opvoeders. Deze afstemming zal door het regel­matig uitwisselen van ervaringen plaats moeten vin­den. Als basis voor het zich kunnen ontwikkelen is een sfeer van veiligheid en vertrouwen nodig. De kinderopvang heeft de taak voor die veiligheid en dat vertrouwen te zorgen, zodat het kind vanuit die zekerheid de wereld om zich heen kan gaan ontdekken.

3.2.1. Hechting

Het kunnen aangaan van een hechtingsrelatie is één van de belang­rijk­ste ontwikkelingsopgaven van een kind in de eerste levensfa­sen. Een kind dat “veilig” gehecht is, staat zekerder in het leven en kan zich vol vertrouwen geleidelijk losmaken en op eigen benen leren staan.

Factoren die het hechtingsproces gunstig beïnvloeden zijn o.a.: een stabiele, voorspelbare opvoedingssituatie , het aan kunnen gaan van een hechte band met de ouder(s)/verzor­ger(s), die weer beïnvloedt wordt door het adequaat reageren van de ouder(s)/ver­zorger(s) op de signalen van het kind. Als dit proces gunstig verloopt zal het kind de personen waaraan het zich heeft gehecht als een veilige exploratiebasis gebruiken. Dit levert positieve ervaringen op, waardoor het vertrouwen weer wordt versterkt; het vertrouwen in zichzelf én de ander. BSO De Bengel stelt zich ten doel om de kwaliteit en de continuïteit van het hech­tings­proces te waarbor­gen door te werken met professionele krachten die dit hechtingsproces kunnen begeleiden. Tevens wordt elk kind “gekoppeld” aan vaste groepsleiders om het verloop van dit hechtingspro­ces zoveel moge­lijk te optimaliseren.

3.3. Opvoedingsdoelen van de buitenschoolse opvang

BSO De Bengel ziet het als haar taak om een opvoe­dingssitua­tie te creëren, waarin aan ieder kind verantwoorde kinderopvang geboden wordt (zie ook 1.1 Doelstelling) en een kind zich maximaal kan ontwik­kelen en ontplooien (zie ook 2.4. Rol van de kinderopvang op de ontwikkeling). Wij willen dit bereiken door op onze buitenschoolse opvanggroepen op elke groep een opvoedingsklimaat te scheppen waarin goede verzor­ging wordt geboden, waarbij vei­ligheid en hygiëne veel aandacht krijgen.

Voor de pedagogische onderbouwing van het begrip “verantwoorde kinderopvang” is vanuit de Wet Kinderopvang gekozen voor de vier opvoedingsdoelen van professor J.M.A. Riksen-Walraven. Prof. Riksen-Walraven onderscheid voor kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar een viertal opvoedingsdoelen:

  1. Emotionele veiligheid; het bieden van een gevoel van veiligheid is de meest basale pedagogische doelstelling voor BSO De Bengel. Een kind dat zich niet veilig voelt in een omgeving, is niet in staat om indrukken en ervaringen op te nemen. Er zijn drie bronnen van veiligheid te onderscheiden; vaste en sensitieve verzorgers, de aanwezigheid van bekende leeftijdsgenoten (kinderen van dezelfde scholen worden zoveel mogelijk bij elkaar geplaatst) en de inrichting van de omgeving. BSO De Bengel werkt met vaste beroepskrachten op de groepen zodat de kinderen zoveel mogelijk door dezelfde pedagogisch medewerkers begeleid worden. De inrichting van de groepen proberen wij zoveel als mogelijk op een thuissituatie te laten lijken. Wij trachten deze huiselijke sfeer vorm te geven door het gebruik van zithoeken en afzonderlijke ruimten voor activiteiten. Op de jongste groep proberen wij de huiselijke sfeer te bevorderen door verschillende speelhoeken en activiteiten aan te bieden, waarbij kinderen zelf kunnen beslissen waaraan zij op dat moment kunnen participeren. Ook op de oudste groep hebben wij zit/praathoeken gerealiseerd om bijvoorbeeld de dag door te nemen na schooltijd.

Verder werken wij met stamgroepen. Dit zijn vaste groepen waarin kinderen worden ingedeeld. In de dagelijkse praktijk komt het erop neer dat wij op onze jongste groep (4 t/m 7 jaar Willem de Zwijgerlaan 71-73) een stamgroep van max. 20 kinderen en een stamgroep van max. 10 kinderen hebben. Een aantal vaste momenten van de dag zal uw kind doorbrengen met de andere kinderen van zijn/haar vaste stamgroep. Deze vaste momenten bestaan tijdens schoolweken uit het gezamenlijk fruit eten na binnenkomst bij De Bengel, het bespreken van de activiteiten deelname na het fruit eten en het nuttigen van de  maaltijd. Tijdens vakantieopvang komt het nuttigen van de lunch hierbij.

Door de kinderen in te delen in een vaste stamgroep met zoveel mogelijk dezelfde gezichten(zowel de groepsindeling als de groepsleiding) voelen kinderen zich sneller op hun gemak. Op de jongste groep (4 t/m 7 jaar Willem de Zwijgerlaan 71-73) bestaat de stamgroep van 20 kinderen uit kinderen in de leeftijd van 4 t/m 6 jaar en de stamgroep met tien kinderen bestaat uit kinderen van  6 t/m 7 jaar. Op de oudste groep (7 t/m 12 jaar) bestaat de stamgroep uit maximaal 20 kinderen van 7 t/m 13 jaar.(Admiraal de Ruyterweg 56A). Op dagen dat de bezetting op de jongste groep 20 kinderen of minder betreft zullen de twee stamgroepen worden samengevoegd naar 1 stamgroep van maximaal 20 kinderen. Indien de bezetting op beide vestigingen 10 kinderen of minder betreft zullen de stamgroepen worden samengevoegd op onze vestiging Willem de Zwijgerlaan 71-73.

Ontwikkelen persoonlijke competenties; kinderen moeten de gelegenheid krijgen tot het ontwikkelen van persoonlijke competenties. Met het begrip “persoonlijke competenties” worden persoonskenmerken, zoals bijvoorbeeld: veerkracht, zelfstandigheid en zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit bedoeld. Deze competenties stellen een kind in staat om allerlei typen situaties of problemen adequaat aan te pakken en zich goed aan te passen aan veranderende omstandigheden.

Bij jonge kinderen zijn onderzoeken en spel de belangrijkste middelen om grip te krijgen op hun omgeving. Exploratie en spel bevorderen wij door de inrichting van onze ruimtes en het aanbod van materialen en activiteiten. Onze gediplomeerde beroepskrachten hebben de vaardigheden in het uitlokken en begeleiden van spel.  Er worden dagelijks op iedere groep minimaal een drietal activiteiten aangeboden waarbij kinderen zoveel mogelijk de vrijheid hebben om zelf te beslissen waaraan zij die dag willen deelnemen. De activiteiten bestaan minimaal uit een sportactiviteit, een knutselactiviteit en een spelactiviteit. Indien kinderen hun huiswerk willen maken op De Bengel wordt hier tijd,  ruimte en hulp van de groepsleiding voor ingepland.

  1. Ontwikkelen sociale competenties; het begrip “sociale competenties” omvat een scala aan sociale kennis en vaardigheden, zoals zich in een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, conflicten voorkomen en oplossen, het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid. De interactie met leeftijdsgenoten, het deel zijn van een groep en het deelnemen aan groepsgebeurtenissen biedt kinderen een leefomgeving voor het opdoen en ontwikkelen van sociale competenties. De groepsleiding probeert dit te stimuleren door groepsgesprekken te organiseren waarin alle kinderen de gelegenheid krijgen iets bij te dragen. Het gesprek heeft een onderwerp waarover dan gesproken wordt. (bv omgaan met pestende kinderen) De groepsleiding streeft verder na, dat kinderen in conflictsituaties, in eerste instantie zelf middels een gesprek proberen het conflict onderling op te lossen.(onder begeleiding van een pedagogisch medewerker)
  2. Overdracht waarden en normen; socialisatie; aan kinderen wordt de gelegenheid geboden om zich waarden en normen, de “cultuur” van een samenleving, eigen te maken; socialisatie. Kinderopvang biedt een bredere samenleving dan het gezin, waar kinderen in aanraking komen met andere aspecten van de cultuur en de diversiteit die onze samenleving kenmerkt. De groepsomgeving biedt daarmee, in aanvulling op de socialisatie in het gezin, heel eigen mogelijkheden tot socialisatie en cultuuroverdracht.

De Bengel probeert dit bijvoorbeeld te stimuleren door met themamaanden te werken. Rond deze thema’s worden dan verschillende activiteiten en gespreksmomenten aangeboden. (b.v. groepsspellen, een film bekijken en uitstapjes naar musea) Voorbeelden van thema’s zijn: feestdagen bij verschillende culturen, gebruiken van verschillende culturen. De kinderen kunnen rond deze thema’s zelf activiteiten organiseren in samenspraak met de groepsleiding. De groepsleiding heeft 3 uur per week extra werktijd om hier invulling aan te geven. Van onze pedagogisch medewerkers verwachten wij ten allen tijde dat zij het goede voorbeeld geven. Hierbij gaat het niet alleen om de afspraken en regels die gelden te hanteren, maar ook het bespreken van waarom bepaalde afspraken en regels gelden is hierbij een belangrijke taak van de pedagogisch medewerkers.

Terug naar boven


4. Samenwerking met ouders

4.1. Belang van oudercontacten

De opvoeding van de kinderen binnen de instelling wordt met de ouders gedeeld (zie hiervoor ook 3.2. Opvoeding in de kinderopvang). Oudercontacten zijn een voorwaarde om te komen tot een goede afstemming tussen de opvoeding van de ouder en de groepslei­ding/gastouder. Oudercontacten zijn ook bedoeld om ouders in staat te stellen hun kind met een gerust hart over te dragen aan de opvoeding in de naschoolse opvang.  Omdat wij binnen onze in­stelling zoveel moge­lijk proberen aan te sluiten bij de opvoedingssituatie thuis, wordt met de ouders afge­sproken hoe dit bin­nen onze kinderop­vang zo goed mogelijk gezamenlijk ingevuld kan worden. Dit gebeurd bij de intakegesprekken alsmede bij de zogeheten tien minuten gesprekjes die ouders minimaal een keer per jaar krijgen aangeboden.

4.2. Doel van de oudercontacten

Door een regelmatig contact met ouders wil BSO De Bengel het volgende realiseren:

  • een wederzijdse kennismaking met de opvoedingssituatie thuis en in de kinderopvang
  • het opbouwen en vasthouden van een vertrouwensrelatie
  • een overdracht van informatie/ervaringen ten behoeve van het af­stemmen van de verzorgings- en opvoedingstaken
  • het geruststellen van ouders
  • ouders met elkaar in contact brengen
  • ondersteuning aan ouders bij opvoedingsvragen
  • voorlichting aan ouders over pedagogisch beleid en werk­wijze
  • inspraak van ouders in het beleid van de instelling

4.3. Relatie ouder-groepsleiding

Ouders en groepsleiding zijn partner van el­kaar, omdat ze de opvoeding van het betreffende kind samen delen. Het is van belang samen af te spreken hoe ze deze gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm geven. Er dienen onderling afspra­ken gemaakt te worden m.b.t. een goede afstemming tussen de ver­schillende opvoedingssituaties. Daarnaast is het regelma­tig uitwisselen van ervaringen met kinderen tussen ouders en groepsleiding van belang.

Ook als er problemen zijn kunnen ouders en groepslei­ding bij elkaar te rade gaan. Een goede vertrou­wensrelatie is in alle geval­len een vereiste.

Terug naar boven


5. Groepsopvang en Wenbeleid

5.1. Groepssamenstelling

Het uitgangspunt van BSO De Bengel bij het omgaan met kinde­ren is het bieden van een veilige en vertrouwde omgeving. Daar­in kunnen kinderen relaties aangaan met zowel andere kinderen als volwassenen en krijgen ze de ruimte om zich individueel en in groepsverband te ontplooien.  BSO De Bengel werkt met vaste stamgroepen. Dit betekent voor de kinderen dat ze in een groep zitten met een “vaste” samenstelling van kinderen in de leeftijd van 4 tot 8 jaar (jongste groep) of in een groep van 8 t/m 13 jaar (oudste groep). De stamgroep op de jongste groep bestaat uit maximaal 20 kinderen en op de oudste groep hebben wij een stamgroep van maximaal 30 kinderen. Na de gezamenlijke stamgroep activiteiten zoals eten, drinken en de schooldag doornemen wordt de groep onderverbeeld in drie of meerdere groepen. (voor de andere activiteiten)

Indien er extra opvang gewenst op een dag dat uw kind normaal gesproken niet op de BSO komt, is dit alleen mogelijk als de bezetting van zijn of haar stamgroep dat toelaat. Het is dus verstandig om dit tijdig aan te vragen bij de groepsleiding.Als de bezetting van de stamgroep dit niet toelaat, maar de opvang wel kan plaatsvinden op de andere stamgroep hebben wij vooraf schriftelijke toestemming van de ouder nodig. De groepsleiding laat de ouder dan het toestemmingsformulier stamgroep invullen en ondertekenen.

Als kinderen voor het eerst bij BSO de Bengel starten hanteren wij het volgende wenbeleid:

Een nieuwe periode breekt aan als een kind voor het eerst naar school gaat. Veel nieuwe indrukken, nieuwe dingen leren en nieuwe vrienden maken. Dit is vaak een roerige tijd voor een kind. Daarom vinden we het belangrijk dat een kind ook een paar keer rustig komt wennen op de BSO. Het is prettig voor het kind om te komen wennen op de dagen die ook afgenomen gaan worden.

Tijdens het intake gesprek maken we een afspraak voor het wennen op de groep. Over het algemeen wordt voor het wennen 2 middagen uitgetrokken, ook als de startdatum in een vakantie valt. Het is het prettigst om uw kind de eerste keer zelf te komen brengen. Uw kind kan dan kennismaken met de pedagogisch medewerkers en met de kinderen uit de groep.

Als de wenperiode tijdens schoolweken valt, dan spreken we de eerste keer af bij school. We laten dan zowel aan u als uw kind zien waar we uw kind op komen halen, en geven aan de docent van de klas door dat uw kind voortaan op de afgesproken dagen naar de Bengel gaat. Soms kan het prettiger zijn voor een kind als de ouder het de eerste keer nog naar de BSO brengt. De tweede keer kunnen we uw kind direct uit school meenemen, zodat het ook kan wennen aan vervoer met het busje wanneer dit van toepassing is. Na iedere wendag spreken we met u door hoe het is gegaan.

Als uw kind overgaat van onze jongste groep naar onze oudste groep of overgaat van stamgroep naar stamgroep plannen wij 1 wenmiddag in. Uw kind wordt dan gedurende een aantal uur naar de oudste groep of nieuwe stamgroep gebracht om kennis te maken met de pedagogisch medewerkers en de kinderen van de oudste groep of oudste stamgroep. De pedagogisch medewerker(s) geven dan een overdracht van hoe de wenmiddag is verlopen.

Als blijkt dat er door welke omstandigheden dan ook een langere wenperiode lijkt gewenst zal de leidinggevende van de vestiging met U overleggen hoe hier invulling aan kan worden gegeven. (wentijd verlengen)

5.2. Groepsleiding en ondersteunende volwassenen

Alle pedagogisch medewerkers hebben een op het werk afge­stemde opleiding afgerond.(conform CAO kinderopvang) Naast de vaste beroepskrachten werken er ook stagiaires vanuit kindgerich­te opleidingen, zij worden ten alle tijden boventallig ingezet en zijn aanwezig voor hun opleiding en ter ondersteuning van de gediplomeerde beroepskrachten. Iedereen die werkzaam is bij De Bengel, of stage loopt bij ons, is in het bezit van een verklaring omtrent goed gedrag. Naast de beroepskrachten en stagiaires is er bij de Bengel een vrijwilliger in dienst die de roosters maakt, bij het vervoer van de kinderen van school naar de BSO helpt en de werkbesprekingen doet, hij is tevens verantwoordelijk voor de bereiding van maaltijden. Deze vrijwilliger wordt nooit als beroepskracht op de groep ingezet. Verder hebben wij een oproepkracht die wanneer het nodig is helpt bij het vervoer van de kinderen van school naar de BSO. Op de jongste groep is een van de beroepskrachten assistent leidinggevende, zij is het aanspreekpunt van de directie en de ouders. De vennoot ondersteund de beroepskrachten van de jongste groep bij het vervoer van de kinderen en het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

BSO De Bengel werkt met vaste pedagogisch medewerkers, waardoor kinderen zoveel mogelijk dezelfde beroepskrachten tegenkomen. Bij ziekte van een van de vaste beroepskrachten wordt met vaste oproepkrachten gewerkt. Hierin stelt BSO De Bengel de continuïteit voorop. Wij hanteren voor al onze groepen een leidsterkind ratio van 1 gediplomeerde groepsleidster per 10 kinderen.

Op vakantie- en studiedagen werken wij met een zogeheten achterwachtregeling. Dit houdt in dat wanneer er slechts één pedagogisch medewerker op een vestiging aanwezig is, er ten tijde van een calamiteit altijd een achterwacht is die binnen 15 minuten ter plaatse kan zijn. In die gevallen dat er sprake is van een achterwacht met betrekking tot afwijking van de beroepskracht-kind-ratio, is de vrijwilliger of mevrouw Narraina aanwezig, die deze rol op zich kan nemen. De beroepskrachten zijn op de hoogte van wie deze persoon is op welk moment.

De pedagogisch medewerkers zijn hiervan op de hoogte en hebben haar nummer.

Als er op schooldagen 1 beroepskracht op BSO De Bengel aanwezig is, is in geval van een calamiteit mevrouw Narraina achterwacht.

5.3 Inrichting en ruimten

Ieder kind wordt opgevangen op een vaste groep met eigen groepsruimte. De eigen groepsruimte is een herkenbare en vertrouwde plek voor het kind. De groepsruimte is zodanig ingericht en ingedeeld dat kinderen van de jongste- of oudste groep afgestemde activiteiten kunnen ontwikkelen. De ruimten zijn voor kinderen op herkenbare wijze ingedeeld met plaatsen voor rust en actie, en mogelijkheden die aansluiten bij leeftijd en ontwikkelingsstadium van een kind. In de ruimten wordt een evenwicht geboden tussen veiligheid en uitdaging. Verder doen wij jaarlijks een risico inventarisatie gezondheid en veiligheid. Na de inventarisatie wordt een actieplan opgesteld met als doel alle pijnpunten op het gebied van gezondheid en veiligheid zo veel als mogelijk weg te nemen. De GGD inspectie kinderopvang doet jaarlijks een inspectie op De Bengel waar onder andere kritisch wordt gekeken hoe wij met deze punten om gaan.

Op onze jongste groep hebben wij vier groepsruimtes waar de kinderen activiteiten kunnen ondernemen. Het gaat om twee speel/leefruimtes een knutselruimte en een bijkeuken waar kookactiviteiten worden georganiseerd.

Op onze oudste groep is de vestiging onderverdeeld in een boven- en benedenruimte. De benedenruimte is als sportgedeelte ingericht en de bovenruimte als huiskamer cq spelletjesruimte.

Op bepaalde momenten op de dag biedt BSO De Bengel de mogelijkheid aan kinderen om ook buiten de eigen groep ervaring op te doen. Een kind kan vanuit de vertrouwde groepsruimte zijn actieradius (reikwijdte, de afstand die door het kind zelfstandig kan worden overbrugd) verbreden, en andere ruimten onderzoeken. (bv de speelpleinen in de buurt, activiteiten tijdens vakantiedagen en verder bieden wij diverse sporten aan bij een samenwerkende sportschool) Voor deze activiteiten zullen de kinderen hun basisgroep dus verlaten. Wij werken hierbij met een uitstapjesprotocol alsmede een vervoersprotocol welke op de vestigingen ter inzage liggen.

Terug naar boven